algemeen Nederlands II

root's picture

het licht aandoen

het licht uitdoen

met verlies verkopen = vendre à perte

utiverkopen = vendre au rabais

een goed zaak = une bonne affaire

het is en mooi weer = ila fait beau

 

GODVERDOMME

VERDORIE = merde

SMEERLAP = cochon

STOMMELING = imbecil

 ik heb geen tijd   > U weet dat ik geen tijd heb

 kopen  > gekocht

aankopen  > aangekocht

verkopen > verkocht

 

 het regnet  het zal regenen    het gaat regenen

Wie = Quien > wie is deze meneer?  > Qui est ce monsieur

An wie moet ik het bragen? = A qui dois-je le demander

 

zien > gezien

geven > gegeven

komen > gekomen

nemen > genomen

krijgen > gekregen

 

voor > devant

tijdens > pendant

gedurende >pendant

misschien =  peut être

verlaten = quiter

wandelen = se promener

 

J’ai faim

Ik heb honger

J’ai soif

Ik heb dorst

La plat

De schotel

La boisson

De drank

Le repas

De maaltijd

breakfast

Het ontbijt

Mesa

Tafel

Silla

De stoel

 

 

Plato

Het bord

Cuchillo

He mes

Tenedor

De vork

cuchara

De lepel

Servilleta

Het servet

Botella

De fles

 

 

Carne

Vlees

Pescado

vis

IK HEB GEEN TIJD

LAATEN WE DEZE ZAAK VERGETEN = oublions cette histoire

komt maar binnen = ENTREZ

LAAT ME MET RUST = LAISSE MOI TRANQUILLE

KOM MORGEN TERUG

WEES VOORZICHTING = soyez prudent

VERGEET NIET

 

Hoeveel kost dat?

Hoeveel kinderen hebt U?

Hoeveel uur werkt u per week?

 

Hoe lang blift u? = combien de temps restez vous?

Hoe lang duurt de film?

Sinds hoe lang wacht u hier? = depuis combien de temps...

 

Hoe gaat het me u?

hoe werkt dat? = 

Hoe oud bent u

hoe ver? = a quelle distance

 

om naar Utrecht te gaan = para ir a utrecht

Ik geloof dat het gaat regenen =  je crois qu'il va pleuvoir