Ik werd wakker wetende dat ik een kubus was. Ja, een kubus, een dobbelsteen zonder nummers. Iets zoals een doos. Dat was ik. Een heel kleine kubus in een wereld van kubussen. Want er waren andere kubussen om mij heen en ze bewogen zich stil.
Ik was de kleinste van alle kubussen en ik keek naar mijn metgezellen met een mengeling van jaloezie en verdriet jegens mijzelf.
Niet alles was kubisch in mijn wereld. Heel hoog in de hemel was er een immense witte cirkel. Wij wilden allemaal die glanzende bal bereiken. Maar hij was zo ver weg dat we nooit zouden aankomen.
Omdat ik mij de kleinste van allemaal voelde, kwam een grote kubus naar mij toe en zei:
Jij bent net zo groot als wij. Het hangt ervan af hoe jij jezelf ziet.
Toen herinnerde ik mij mijn vriend Mustafá, die mij vertelde dat, voor de moslims, wanneer je sterft, je eerst een kleine openbaring hebt, waar je al het goede en het slechte ziet dat je in je leven hebt gedaan. Want sinds je geboren wordt, schrijven twee engelen, één op de rechter schouder en een andere op de linker, alle goede en slechte handelingen op die je hebt gedaan.
Na deze telling wordt je een ruimte toegewezen. Enkele vierkante meters of centimeters. En daar zul je zijn tot de Dag van het Laatste Oordeel, wanneer Jezus Christus en de Mahdi vechten tegen Gog en Magog.
En toen werd ik wakker, als een persoon, met hoofd, armen en benen. Niet meer als een kubus. En ik voelde mij erg blij om levend te zijn en geen geometrische figuur te zijn tot het einde der tijden.